De ruimte voor hernieuwbare energie in plannen Kamp nog onzeker

De ruimte voor hernieuwbare energie in plannen Kamp nog onzeker
EXPERTBIJDRAGE

Er waren wisselende reacties op de energieagenda van minster Kamp. Hendrik Steringa kijkt in deze expertbijdrage naar de rol die hernieuwbare energie de komende jaren zal gaan spelen en die in handen ligt van de nieuw te kiezen volksvertegenwoordigers.

Het zal weinigen ontgaan zijn. Vorige week presenteerde VVD-Minister Kamp de energieagenda waarin hij uiteenzet hoe het huidige kabinet de omslag naar een koolstof-arme energievoorziening voor zich ziet. In tegenstelling tot het hedendaags beleid met beleidsinstrumenten dat vooral een sterke focus heeft op hernieuwbare energie (in mindere mate op energiebesparing en CO2-reductie, zie het energieakkoord), zal CO2-reductie centraal komen te staan. Dit is in overeenstemming met de ‘Clean Energy’ plannen die de Europese Commissie (EC) een week eerder presenteerde. Door het (vooralsnog) ontbreken van hernieuwbare energiedoelen blijft het onzeker hoeveel ruimte de ontwikkeling van hernieuwbare energie na afloop van het energieakkoord in 2023 gaat krijgen.

Geen nationale doelen voor hernieuwbare energie

Hoewel er uit verschillende hoeken kritiek maar ook geluid van goedkeuring kwam op de energieagenda van Kamp, is de uitgezette lijn helder; Nederland gaat de economie in 35 jaar omvormen van een koolstof-intensieve naar een koolstof-arme economie met een daarbij behorende koolstof-arme energievoorziening. Heel concreet betekent dat dat we bijvoorbeeld van het gas afgaan voor de verwarming van onze huizen en dat vanaf 2035 alleen nog nul-emissie auto’s verkocht mogen worden. Echter, als het aan dit kabinet ligt tenminste, zal er vanaf 2023 (einde van het huidige energieakkoord) alleen primair op CO2-reductie worden gestuurd. Dit betekent concreet dat de SDE+ regeling niet meer alleen is gericht op hernieuwbare energie maar ook opengesteld zal worden voor bijvoorbeeld energiebesparing, CCS (Carbon Capture and Storage) en CCU (Carbon Capture and Utilization).

Openstelling voor CCS en CCU hoeft natuurlijk geen probleem te zijn en voor energiebesparing is het ronduit toe te juichen, maar de vraag is wel hoeveel ruimte energieopwekking uit hernieuwbare bronnen gaat krijgen. Waar de EC voor 2020 nog nationaal bindende doelen had voor hernieuwbare energie (voor Nederland vastgesteld op 14% in 2020), daar zijn deze voor 2030 losgelaten. Er is een door velen als weinig ambitieus gezien Europees doel van 27% maar deze wordt niet omgezet naar nationaal bindende doelen.  Wel moeten landen in 2018 hun klimaat en energieplannen aanleveren om te kijken of de inzet van alle lidstaten tot die 27% zal leiden, maar een nationaal percentage kan niet worden afgedwongen. De hernieuwbare energierichtlijnen uit de EU zijn daarom na 2020 niet langer het baken dat nog enigszins sturing geeft aan het Nederlandse hernieuwbare energiebeleid. Dat is nodig want, op de ‘periode Kamp’ na, werd de hernieuwbare energiesector de afgelopen 15 jaar vooral geconfronteerd met onvoorspelbaar en wisselend beleid. Nu langjarig beleid en heldere (tussen)doelen voor 2030 en 2040 ontbreken (alleen voor wind op zee wordt gerept over jaarlijks 1GW  tussen 2023 en 2030) is het onduidelijk hoe snel en in welke mate de energievoorziening in Nederland na 2023 zal verduurzamen op basis van productie uit hernieuwbare bronnen.

Duurzame energie is meer dan CO2-reductie alleen

Een veelgehoord argument om primair op CO2-reductie te sturen en daarnaast niet ook op hernieuwbare energie is dat de aanpak van klimaatverandering centraal staat. Uiteraard speelt de klimaataanpak een centrale rol, en daaraan levert hernieuwbare energie een grote bijdrage, maar hernieuwbare energie is meer dan CO-reductie alleen.

Hernieuwbare energie is inderdaad geen doel op zich zoals de energieagenda suggereert. Het dient ook geopolitieke doelen (verminderen van de rekening van energie-importen en het verminderen van afhankelijkheid van vaak autoritaire regimes van de landen waaruit deze importen afkomstig zijn), milieudoelen (schonere lucht), energiedemocratie (de mogelijkheid voor burgers om te participeren in het energiedomein) en industriepolitiek (het stimuleren van een op de toekomstgerichte duurzame industrie en werkgelegenheid).Door na 2023 alleen te sturen op CO2-reductie komen deze andere belangrijke functies van duurzame energie onvoldoende aan bod. Dit heeft vooral te maken met het feit dat het uitstoten van CO2 te goedkoop is. Het Europese Emissiehandelssysteem, EU-ETS, genereert nu en naar verwachting tot 2030 een onvoldoende prijsprikkel. Hierdoor ontstaat er geen gelijk speelveld tussen fossiele opwek en hernieuwbare energie.

Kamp vaart niet blind op EU-ETS

Duurzame energie zou natuurlijk gestimuleerd kunnen worden door een hoge CO2 prijs. Om die reden is het EU-ETS ook opgezet. Echter, de praktijk laat zien dat dit systeem wat betreft het stimuleren van duurzame energie (nog) niet naar behoren werkt. De prijsprikkel  is onvoldoende en dat bevoordeelt fossiele brandstof ten opzichte van duurzame energie. Bovendien lijkt het er niet op dat dit, ondanks de hervormingen van het EU-ETS waar momenteel aan wordt gewerkt, na 2020 gaat veranderen. Verregaande maatregelen zoals het introduceren van een minimumprijs, waar Nederland nu overigens voor open lijkt te staan, lijkt in de EU politiek niet haalbaar. Tenslotte, weerspiegelt het EU-ETS binnen de EU de laagste gemene deler. Dit zorgt ervoor dat de prikkel die van het ETS uitgaat niet voldoende is, omdat Nederland in vergelijking tot andere lidstaten een efficiënte industrie heeft en moderne energiecentrales. Alles tezamen komt dit de investeringszekerheid voor bedrijven en burgers die willen inzetten op duurzame energie niet ten goede.

Kamp onderkent dit probleem in zijn Energieagenda. Hoewel CO2-reductie centraal gesteld zal worden vaart Kamp niet blind op het EU-ETS. Aanvullend beleid gericht op hernieuwbare energie is volgens Kamp daarom tot 2030 nodig. Het is alvast goed nieuws voor de investeringszekerheid dat de SDE+ regeling wordt voortgezet. Hoe het verdere aanvullende beleid precies wordt ingevuld is niet meer een zaak van de koersvaste minister Kamp maar van de opvattingen van de nieuw te kiezen volksvertegenwoordigers, de consensus in de polder (energieakkoord 2.0) en de koersvastheid van het volgend kabinet. Voor hernieuwbare energie-minnende bedrijven en burgers is het in ieder geval zaak om de komende maanden (en jaren) goed op te letten in zowel de Europese als de Nederlandse politieke arena.

Hendrik Steringa is onafhankelijk consultant, onderzoeker en publicist en volgt de ontwikkelingen in de energiesector op de voet.